Waarom archeologie

Het doel van de archeologie is het vergroten van de kennis over onze (verre) voorouders. Voor de reconstructie van de levenswijze van de mensen uit het verleden bestudeert de archeoloog de voorwerpen en sporen die zich in de grond bevinden: in het zogenaamde bodemarchief. Dit in tegenstelling tot het vak geschiedenis dat geschreven bronnen bestudeert. De archeologie en geschiedenis leveren verschillende soorten kennis. Door archeologische en historische gegevens te combineren kunnen we vaak meer inzicht in het verleden krijgen.

Het deel van het verleden waarvan geen geschreven bronnen bekend zijn wordt prehistorie genoemd. Dit tijdperk, waarvoor de archeologie de enige informatiebron is, loopt tot de Romeinse tijd. Romeinse schrijvers (o.a. Plinius) hebben wel over de bevolking in het huidige Nederland geschreven, maar schriftelijke bronnen uit ons land zelf zijn niet bekend. Deze periode wordt proto-historie genoemd. Ook hier is de archeologie de belangrijkste informatiebron voor het verleden. In de middeleeuwen, wanneer de eerste (kerkelijke) bronnen in en over ons land worden geschreven, gaat de historische periode van start. Vanaf dat moment wordt de geschiedenis een belangrijke informatiebron voor het verleden.

Het bodemarchief, waarin zich de archeologische sporen en materialen bevinden, is onvervangbaar. Archeologische sporen zijn uniek en kunnen maar één keer opgegraven worden. Om bij opgravingen zo weinig mogelijk informatie verloren te laten gaan mag archeologisch veldwerk alleen maar door deskundigen (BRL 4000 SIKB certificaathouders) worden uitgevoerd. Professionele archeologen werken daarbij regelmatig samen met amateur-archeologen en studenten.