Verdrag van Malta

Het Verdrag van Malta is op 16 januari 1992 tot stand gekomen in de hoofdstad Valletta op het eiland Malta. In dit verdrag – officieel het ‘Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed’ – van de Raad van Europa hebben twintig Europese staten vastgelegd hoe ze omgaan met het Europees archeologisch erfgoed. Ook Nederland heeft ondertekend.
In ons land zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta vastgelegd in de Nieuwe Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ). Dit is een uitbreiding van de Monumentenwet van 1988 en enkele andere wetten. Er zijn twee belangrijke uitgangspunten :

Archeologische sporen worden zo veel mogelijk in de bodem bewaard en beheerd

Dit biedt de beste bescherming van het archeologisch bodemarchief. Vroeg in de ruimtelijke ontwikkeling wordt al rekening gehouden met archeologie. Eventuele archeologische resten in de bodem kunnen dan tijdig worden erkend, zodat plannen kunnen worden aangepast om het archeologisch bodemarchief te behouden.

Is het niet mogelijk om archeologische resten in de bodem te laten zitten, omdat een voorgenomen ingreep te veel schade toebrengt aan de archeologie, dan kan de overheid verlangen dat oorspronkelijke plannen worden aangepast of eisen dat de initiatiefnemer zorgdraagt voor een verantwoorde documentatie van de historische informatie en overblijfselen, die anders verloren gaan.

Bodemverstoorders betalen de kosten van archeologisch onderzoek

Het veroorzakersprincipe: degene die het initiatief neemt om de bodem te verstoren, betaalt de kosten van archeologisch onderzoek en eventuele opgravingen. Voor de uitvoering van het archeologisch onderzoek dient de initiatiefnemer een archeologisch onderzoeksbureau inschakelen.